Het drinkproces van de baby kan aan de hand van drie vragen geëvalueerd worden:
1. Stopt de baby zelf met zuigen om te ademen?
Een te vroeg geboren baby kan nog niet ademen tussen het zuigen en slikken. Hij zal dus regelmatig moeten stoppen met zuigen en slikken om te kunnen ademen. Vaak zien we dat prematuur geboren baby’s het zuigen boven het ademen verkiezen. Dit kan ervoor zorgen dat je baby een alarm doet of zich verslikt. Je kan als ouder de baby helpen om zuigen en slikken te stoppen, zodat de baby kan ademen. Dit doe je door de fles te kantelen, zodat er geen melk meer in de speen zit. Dit wordt ‘pacing’ genoemd. Meestal zuigt de baby nog een paar keer en start dan met ademen. Wanneer de baby blijft zuigen, kan je de fles voorzichtig uit de mond halen en tegen zijn mondhoek houden. De duur van de adempauze wordt door de baby bepaald. Eens hij opnieuw zuigt, kan je de melk opnieuw in de speen laten vloeien door de fles naar boven te kantelen.
2. Loopt de voeding niet te snel?
Als de baby de voeding uit zijn/haar mondje laat lopen, begint te hoesten of meerdere slikbewegingen maakt, dan loopt de voeding te snel. Je kan de flow verminderen door de baby in zijligging te houden. Hierdoor loopt de voeding niet rechtstreeks naar de keel. De druk van de melk op de speen is minder groot, omdat de fles platter ligt. Je kan ook een speciale speen gebruiken, waarbij de melk minder snel loopt.
3. Wordt de baby moe tijdens de voeding?
Als de baby moe wordt, valt de spierspanning weg, waardoor de armen slap naast het lichaam gaan hangen. Voor het veilig drinken is een goede spierspanning nodig, zodat de coördinatie van de bovenste luchtwegen veilig kan verlopen. Je kan de spierspanning ondersteunen en energieverlies beperken door de baby in te wikkelen in een losse doek met de armen naar het aangezicht gericht en hem/haar in zijligging te plaatsen. Zorg ervoor dat het rompje voldoende ondersteund wordt door bijvoorbeeld een borstvoedingskussen of een ander ondersteunend hulpmiddel te gebruiken.